'Bronzen' essay: De macht van angst. Contrast & nrc.next nov 2007
Artikelen

'Bronzen' essay: De macht van angst

Contrast 29 november 2007 Door Roos Wouters

Vroeger was ik een enorme rotetter en ik hoop niet dat mijn kinderen wat dat aangaat ook maar enigszins op mij of mijn man lijken. Wij hingen op straat, rookten jointjes in portiekjes en maakten troep en lawaai. Ik deed aan graffiti en had de dag van mijn leven als we met z’n twintigen een tram gingen bomben. We bekladden dan de deuren, banken en ramen, terwijl de tram van de ene naar de andere halte reed. Doordat we met een grote groep waren, durfde niemand iets te zeggen. Als ze dat toch deden dan keken wij héél dreigend. 

Achteraf schaam ik mij rot voor dit intimiderende vandalisme, maar toen was het heerlijk en bevrijdend. Wij waren de jeugd van tegenwoordig en alleen al door ons aantal hadden we een angstaanjagende uitstraling. Dat op zich was al genoeg. Ik ben er tenminste nooit getuige van geweest dat het gewelddadig werd.

Al gedroegen wij ons niet zo, toch bestond de groep voor een deel uit goed opgevoede, verlegen en weldenkende jongeren. Kinderen die zich probeerden te bevrijden uit die ondergeschikte kinderrol. Met zijn allen hadden wíj het voor het zeggen en we lieten ons niet meer commanderen of de les lezen! 

Ik had mijn etter-jeugd al bijna verdrongen toen ik de televisiebeelden van groepen relschoppende jongeren in de Parijse buitenwijken en in de Amsterdamse Diamantbuurt zag. Mijn eerste impuls was dat gedrag sterk te veroordelen en te roepen om harde straffen, maar gelukkig en helaas drong al gauw tot me door dat mijn pubergedrag helemaal niet zoveel verschilde van wat deze jongeren deden. Waarom is er nu zoveel meer aandacht voor jongeren; is er iets anders aan deze jeugd? Toen ik een ‘etter’ was gaven wij elkaar door, dat als je betrapt werd, je moest zeggen dat je ouders uit elkaar waren. Dat je ouders hippies waren (geweest) en dat je het thuis erg moeilijk had met al die nieuwe (stief) vaders en moeders, (half) broertjes en zusjes. Meestal werkte dat perfect; we deden een beroep op de afgunst of het schuldgevoel van ‘het gezag’, en al je zonden werden je vergeven. Je kon op zijn minst rekenen op begrip.

Tegenwoordig is de mantra: ‘Ik ben Marokkaan, ik kan geen stage plek vinden, en word gediscrimineerd’. Nu zit daar waarschijnlijk net zo’n kern van waarheid in als in onze tekst, want veel van onze ouders waren ook echt gescheiden en we hadden vaak grote problemen hadden met het liefdesleven en drugsgebruik van onze ouders. Toch wisten óók wij heel goed dat de streken die we uithaalden niet goed te praten waren en ook daarin zie ik meer overeenkomsten dan verschillen tussen mijn generatie en die van nu.

Misschien was ik nog wel erger. Als ik toen net zoveel aandacht had gekregen voor mijn rotstreken als de jongeren nu, dan had ik het wel geweten. Na het zien van de beelden van rel schoppende Franse jongeren, zou ik onmiddellijk een capuchon over mijn hoofd hebben getrokken om, samen met mijn ettervrienden, de ruiten van de auto’s in de buurt in te gooien. Wat een heerlijk saamhorigheidsgevoel! Wat een heldendaad! Wij tegen de rest van de wereld met een goed doel als excuus: een pot geld die straks wordt vrijgemaakt voor ontspoorde jongeren!

ls ik Marokkaan was geweest dan zou ik nu absoluut een ‘kut Marokkaan’ zijn genoemd. Marokkaan ben ik echter niet en veel van mijn toenmalige etter vrienden zijn dat ook niet. Ik ben zelfs het toonbeeld van Hollands glorie; blank, blond met blauwe ogen en klaag dan ook nooit wanneer ik niet voor terrorist word aangezien, overal meteen door mag lopen of zelfs voorrang krijg. Maar maakt dat mijn rotstreken ook minder erg? 

In Nederland bleef het na de Franse rellen gelukkig relatief rustig, maar de angst dat het zou overwaaien was zeker aanwezig. Ook al bleven echte rellen uit, en bleek de jeugd braver dan ik verwachtte. Cameraploegen en politieke campagneploegen trokken massaal de ‘probleembuurten’ in om kijkcijfers, zielen én stemmen te winnen. Met succes; de angst groeide en de potten met geld werden opengetrokken voor probleemjongeren die ware tv sterren werden. (‘Kut-Marokkanen-on-Ice’ is misschien een leuk idee? Talpa?) 

Waarom krijgt de jeugd van tegenwoordig zoveel aandacht? Heeft de overheid er soms baat bij om de jeugd af te schilderen als potentiële mini-terroristen? Het ooit zo tolerante Nederland met vrijheden waar men trots op was, althans zo leek het, veranderde vooral na de moord op Theo van Gogh in snel tempo. Het werd een land waar Wij tegen over Zij kwamen te staan en men bang voor elkaar was geworden. Bange mensen zijn vaak volgzame mensen. Er volgde een scala aan zeer impopulaire maatregelen, die in de jaren daarvoor nog ondenkbaar zouden zijn geweest. De bestaande vrijheden werden aan banden gelegd en de overheid voerde rigoureuze beleidsveranderingen door.

Van de angst voor elkaar werd dankbaar gebruik gemaakt en dat wat ons bang maakte werd elke dag weer onder een vergrootglas gehouden. Nu de meest impopulaire beslissingen genomen en doorgevoerd zijn, lijkt het of de angst voor allochtonen zijn werk heeft gedaan en is verruild voor de angst voor vergrijzing. Alle partijen hebben het over niets anders meer, alleen Geert Wilders heeft het ‘intergratie-probleem’ nog hoog op de agenda! Heeft men iets geleerd; is de rust terug gekeerd of beheerst nu de strijd om de allochtone kiezer het politieke debat? 

 Ook de jongeren maken gebruik van angst als machtsmiddel. Zij lijken steeds beter te weten waar de gevoelige plekken in onze samenleving zitten en vallen datgene aan waar de vorige generatie zich hard voor gemaakt heeft: gelijke behandeling van vrouwen en homo’s en de vrijheid van meningsuiting. Met het grootste gemak spelen ze in op de angst dat de emancipatiestrijd voor niets is geweest. Staan de jongeren zo sterk aan de rand van de samenleving dat ze met meer afstand kunnen zien waar de zwakke plekken zitten? Of is de jeugd van tegenwoordig, vergeleken met de jeugd van toen, gewoon ervarener geworden in het puberen?

Ook wij scholden op homo’s en maakten seksistische grappen. Die grappen waren vaak, direct of indirect, tegen mij als vrouw gericht, maar daar was ik helemaal niet mee bezig. We hadden moeite met onze eigen seksualiteit en ik geloof niet dat er iemand echt een oordeel over homo’s of vrouwen had, al wisten we wel zeker dat we met die onderwerpen tegen heilige huisjes schopten. Angst is iets machtigs!

We zijn veel te bang. Bang voor jongeren, bang dat het terroristen in de dop zijn, bang dat ze de macht over zullen nemen. Net zoals mensen vroeger bang waren dat met de komst van Rock and Roll de normen en waarden, de zeden en zelfs de hele moraal naar de knoppen zou gaan. Misschien zouden we wat minder bang moeten zijn, ons minder laten meeslepen door het mediageweld, al dan niet geregisseerd door de politiek of door de media zelf. We zouden wat minder repressief moeten optreden en wat meer moeten investeren in jongeren. Niet omdat we bang voor ze zijn of omdat ze dreigen te ontsporen, maar omdat ze onze toekomst zijn, omdat ze ‘onze’ jongeren zijn. We moeten problemen die er zijn niet negeren, maar het geen nu gebeurt is het omgekeerde. Nu wordt slecht gedrag van gewone pubers beloond. En waarom; omdat deze rotetters legers terroristen zijn? Ach, kom nou! 

Zelfs bij mij, inmiddels de ideale schoondochter, roept die overvloed aan aandacht het idee op dat ik een weldoener voor algemeen nut zou zijn als ik mij nog één keer zou uitleven als vandaal. De terrorist/ rotetter krijgt zoveel aandacht dat ik het bijna jammer vind dat ik geen terrorist kon zijn toen ik een rotetter was.