Quota voor meesters Vrij Nederland
Opinie
Quota voor meesters Vrij Nederland
onderwijs Terwijl de discussie over quota voor vrouwen aan de top voortraast, wordt er nauwelijks gereageerd op het gebrek aan diversiteit in het basisonderwijs. Tijd voor actie?

door Roos Wouters

Nog maar achttien procent van de studenten die aan een pabo-opleiding beginnen, is man, bleek onlangs uit onderzoek van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt. De helft verlaat de opleiding voortijdig, en eenmaal voor de klas haakt nog eens een derde af in de eerste vijf jaar. Het percentage mannen in het basisonderwijs was in 1999 nog 27,6 procent, in 2007 was dit 18,7 procent. Binnenkort wordt dit aantal dus nog lager. Bovendien stroomt een derde van de mannen in het basisonderwijs door naar een managementfunctie, waardoor ook zij niet meer voor de klas staan.
Onderwijskundige Gerda Geerdink, werkzaam aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, promoveerde in 2007 op een onderzoek naar sekseverschillen bij pabostudenten. Zij ontdekte dat de uitval van mannelijke studenten ook te maken heeft met de opleiding. ‘De didactische werkwijze, de inhoud, de organisatie en de toetsing van de opleiding sluiten beter aan bij wat meisjes prettig en interessant vinden. Meisjes kiezen voor een pabo-opleiding, omdat ze graag "iets willen doen met kinderen". Jongens, als ze al voor de pabo kiezen, willen voor de klas om kinderen iets te léren. In het onderwijs en bij het werken op de basisschool missen jongens die zakelijker benadering.'

Jongensgedrag lastig
Bedrijven met een diverse samenstelling leveren betere prestaties. Zou voor scholen niet hetzelfde gelden? Gerda Geerdink benadrukt dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs is voor de veel gehoorde kritiek dat de feminisering van het onderwijs tot slechtere prestaties van jongens leidt. ‘Jongens in het basisonderwijs doen het niet slechter dan meisjes en uit onderzoek blijkt dat de verschillen tussen jongens en meisjes in het basisonderwijs de laatste jaren eerder kleiner dan groter zijn geworden.'
Lauk Woltring, gedragsdeskundige, gespecialiseerd in de ontwikkeling van jongens, is het niet met Geerdink eens. ‘Over de gehele breedte is bij jongens een teruggang in de schoolprestatie te zien. Jongens scoren aan het eind van de basisschool inderdaad iets hoger op de CITO-toets, maar vertonen dan al veel meer gedragsproblemen. Ze blijven na de basisschool veel vaker zitten, gaan veel vaker naar het speciaal onderwijs en krijgen meer "rugzakjes" (speciale financiering). Ik wil niet zeggen dat de slechtere prestaties van jongens door juffen wordt veroorzaakt, maar wel door een gebrek aan meesters. Doordat vrouwen zich doorgaans makkelijker in meisjes kunnen verplaatsen en minder goed in het "drukke" gedrag van jongens, wordt jongensgedrag eerder als lastig ervaren. Een strak, "talig" format met weinig ruimte voor grote motoriek en experiment, zorgt ervoor dat jongens hun talenten minder ontdekken en veel energie in stoppen in "niet lastig zijn" in plaats van in leren. Te veel jongens voelen zich daardoor niet thuis in de klas en ontwikkelen een latente schoolhekel, waardoor ze na de basisschool eerder uitvallen of een zesjesmentaliteit ontwikkelen. Hoe goed een juf ook is, jongens hebben mannen nodig om te zien hoe ze vorm kunnen geven aan hun "drukke" mannelijke gedrag.'
Geerdink vindt het geringe aantal mannelijke leraren ook onwenselijk, maar om andere redenen. ‘Bij sectoren waarin vooral vrouwen werkzaam zijn, daalt het aanzien en daarmee de politieke invloed. Bovendien krijgen kinderen een raar beeld van de samenleving als er bijna alleen vrouwen voor de klas staan en voor de kinderen zorgen, terwijl mannen beslissen wat er moet gebeuren.'

Open armen
De roep naar overheidsingrijpen om diversiteit aan de top van het bedrijfsleven te bewerkstelligen neemt de afgelopen tijd toe. Waarom dan geen wettelijk quotum voor mannen in het onderwijs? Gerda Geerdink ziet quota voor mannen niet direct zitten: ‘Een quotum voor vrouwen aan de top is nodig omdat beeldvorming maakt dat mannen daar eerder benoemd worden, ook als vrouwen kwalitatief beter zijn. Maar op de pabo worden mannen met open armen ontvangen.'
Gerda Geerdink denkt dat een quotum in het basisonderwijs wel zou kunnen werken als pabo's meer kennis krijgen van de sekseverschillen en het onderwijs met die kennis inrichten. Jongens hebben andere opleidingsverwachtingen en een andere vorm van begeleiding nodig dan meisjes. Daar moet men beter op inspelen. Maar het belangrijkste vindt Geerdink dat er goede leraren in het basisonderwijs werken. ‘Kinderen, ook jongens, hebben baat bij goede leraren, man en vrouw. We moeten voorkomen dat we zo blij zijn met mannelijke studenten dat we ze haast van de pabo "afknuffelen". Als quota bewerkstelligen dat er meer jongens komen die goed opgeleid worden, dan ben ik ervoor.'
Ook Woltring staat positief tegenover quota in het onderwijs. ‘Ook in het onderwijs weten we allemaal dat diversiteit goed is. We hoopten jarenlang dat de diversiteit vanzelf zou komen, maar inmiddels moeten we constateren dat dit niet gebeurt. Het percentage mannen voor de klas daalt in rap tempo. Daarom wordt het hoog tijd om het tij te keren. Gaat dat niet vanzelf, dan maar door het invoeren van quota.'