-
Volkskrant van 1 juli 2006; ‘Toekomst vraagt om kinderen, dus andere arbeidsmarkt.’
-
nrc.next van donderdag 7 september 2006; ‘Emancipeer de arbeidsmarkt, niet de vrouwen!’
-
Prijs winnend essay in Contrast, 29 november 2006; ‘De macht van angst’.
-
nrc.next van dinsdag 12 december 2006; ‘kinderen krijgen? Eerst met pensioen!’
-
nrc.next van woensdag 7 maart 2007; ‘Dank Cisca, maar nu kunnen we zonder je’
-
Trouw van woensdag 28 maart 2007; ‘We zijn helemaal niet vrij om kinderen te krijgen’
-
nrc.next van vrijdag 22 juni 2007; ‘vaders, zak door de glazen vloer’
-
Trouw van vrijdag 22 juni 2007; ‘Geef mannen twee maanden betaald verlof’
-
Lof december 2007; ‘Zorg voor gezonde combinatie werk & zorg’
-
Waterstof, Krant van Waterland - nr. 29, december 2007; ‘Hoe vrijwillig is de vrijwillige kinderloosheid?’
-
Lover, maart 2008; ‘Femanistisch manifest’
-
Trouw, 7 mei 2008; ‘Overheid heeft gespleten persoonlijkheid’
de Volkskrant July 1, 2006 SECTION: Forum; Pg. 16
Toekomst vraagt om kinderen, dus andere arbeidsmarkt
Keer op keer wordt vrouwen gevraagd meer te werken, in verband met de vergrijzing. Intussen gaat de ontgroening door, zegt Roos Wouters. Onlangs liet FNV-voorzitter Agnes Jongerius weten dat de maatschappij een dwingend 'moreel appèl' moet doen op vrouwen met kleine banen om meer te gaan werken. Daarmee zou op korte termijn het probleem van de vergrijzing worden aangepakt. Deze oplossing gaat alleen eraan voorbij dat dit op de lange termijn juist enorme problemen creëert: Nederland vergrijst niet alleen, het land ontgroent ook.
De leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen, is sinds 1970 gestegen van 25 naar 30 jaar. En dat is de gemiddelde leeftijd. Laagopgeleide vrouwen krijgen hun eerste kind vaak voor hun 30ste terwijl hoogopgeleide vrouwen pas veel later over een kind beginnen na te denken. Vrouwen die na hun 30ste aan kinderen beginnen, blijken elk jaar 12 procent minder zwangerschapskans te hebben om na hun 35ste nog maar half zo vruchtbaar te zijn.
En zelfs als deze vrouwen nog kinderen kunnen krijgen, wil een op de vier hogeropgeleiden dat niet meer. Mede daardoor neemt het aantal kansarme jongeren toe terwijl het percentage kansrijke jongeren afneemt.
De samenleving is gebaat bij moeders/opvoeders die hoogopgeleid zijn. 'Kansrijke jongeren' zijn namelijk vooral de jongeren die opgevoed worden door hoogopgeleiden, zo blijkt uit onderzoek. De kansrijke jongeren zijn de dragers van de kennissamenleving waarnaar het kabinet zegt te streven. Maar ondertussen hebben we de maatschappij zo ingericht dat hoogopgeleiden het krijgen van kinderen uitstellen, vaak totdat het te laat is. Zolang het onmogelijk blijft het krijgen van kinderen te combineren met een carrière, zullen hogeropgeleiden het eerste kind blijven uitstellen. Het is tijd voor een radicale verandering van de arbeidsmarkt.
Parttime werken op hbo/wo niveau is, zeker als starter, maar zelden mogelijk. Uit onderzoek is echter gebleken dat, zelfs wanneer de opvang beter en goedkoper geregeld zou zijn, ouders, en dan vooral vrouwen, kinderen niet willen combineren met een fulltime baan. Daardoor werken hoogopgeleide moeders/ouders vaak wel parttime maar onder hun niveau of blijven helemaal thuis.
Op die manier zijn ze van serieuze deelname op de arbeidsmarkt uitgesloten en dit vooruitzicht is voor veel hoogopgeleide vrouwen/koppels somber genoeg om het krijgen van kinderen uit te stellen of er helemaal vanaf te zien.
Wanneer werkgevers en de overheid ouders direct na hun studie meer mogelijkheden zouden bieden om het hebben van kinderen te combineren met een parttimebaan op niveau, dan zouden ze, langzaam maar zeker, een serieuze carrière kunnen opbouwen en daarmee zal het percentage hoogopgeleiden dat (op jonge leeftijd) kinderen krijgt, toenemen. Bovendien kan daarmee worden voorkomen dat die vrouwen/ouders op latere leeftijd, wanneer zij een baan zoeken, moeten merken dat ze te onervaren en te duur zijn geworden om nog in aanmerking te komen voor de functies waar zij in feite voor zijn opgeleid.
Zelf kreeg ik, tegen alle waarschuwingen in, vijf jaar geleden, voor ik een carrière had opgebouwd, mijn eerste kind. Ik was 25 jaar toen ik, met mijn zoon op mijn arm, mijn politicologie-bul in ontvangst nam. Ik wilde liever een baan bij mijn kinderen, dan kinderen bij mijn baan, zo was mijn redenering. Bovendien ging, en ga, ik er van uit dat mijn 'carrière-tijd' nog wel komt wanneer mijn kinderen groter zijn.
Maar ook al heeft het (jong) kinderen krijgen veel voordelen, toch benijd ik nu de mensen om mij heen die het krijgen van kinderen hebben uitgesteld.
Na mijn studie ging ik op zoek naar een parttimebaan op academisch niveau. Dat bleek een contradictio in terminus. De banen voor pasafgestudeerden waren of op academisch niveau en fulltime of parttime en dan vooral 'administratief'. Mijn partner en ik hebben, heel geëmancipeerd, besloten beiden parttime te werken en samen voor onze kinderen te zorgen.
Mede daardoor werken wij, vijf jaar later, onder ons niveau en blijven als het ware aan het begin van onze carrière staan. De vrienden en studiegenoten die nu met kinderen beginnen, werkten de eerste jaren na hun studie vaak wel fulltime. Zij hebben een carrière en dus een meerwaarde opgebouwd op grond waarvan ze beter met hun werkgever over werktijden kunnen onderhandelen.
Zij slagen er dan ook vaak in om drie of vier dagen te gaan werken. Bovendien verdienen zij inmiddels aanzienlijk meer, waardoor zij flexibele kinderopvang kunnen betalen. Banen voor pasafgestudeerden vereisen daarentegen een hoge flexibele werkinzet, maar daar staat nog geen salaris tegenover waarmee je flexibele kinderopvang kan betalen.
Voor elk hogeropgeleid stel is het dus eigenlijk heel rationeel het krijgen van kinderen uit te stellen. Maar voor de samenleving is dat onwenselijk. Van uitstel komt immers vaak afstel. Dat is een massale verspilling van talent. Wie hier serieus wat aan wil doen, zal ervoor ijveren dat werkgevers en de overheid de mogelijkheden juist vergroten om flexibel en parttime op niveau te werken. Zo wordt het voor hoogopgeleiden weer aantrekkelijk om jonger kinderen te krijgen. Dat lijkt mij zinvoller dan de recente voorstellen om vrouwen met deeltijdbanen op te roepen meer te gaan werken, hoogopgeleiden uit het buitenland aan te trekken en om van hoogopgeleide moeders die niet werken te eisen dat ze hun studie terugbetalen! Het is de hoogste tijd voor een mentaliteitsverandering. Kinderen hebben de toekomst, maar dan moeten ze wel worden geboren. Hogeropgeleide heeft nu groot gelijk als hij kinderwens uitstelt
============================================================================================
Emancipeer de arbeidsmarkt, niet de vrouwen!
nrc next 7 september 2006
Alle grote politieke partijen willen gratis kinderopvang. Maar als je je kinderen niet fulltime aan de opvang wil uitbesteden, blijft carrière maken onmogelijk. Tijdens mijn studie politicologie werd ik op mijn 25ste gewenst zwanger. Veel van mijn (vooral vrouwelijke) medestudenten reageerde daarop met onbegrip. Ik zou daarmee mijn carrière, nog voor ik hem had opgebouwd, vergooien. Dit wimpelde ik af als gefrustreerd en weinig geëmancipeerd, maar toen ik op zoek ging naar een baan op academisch niveau, die ik kon combineren met het ouderschap, besefte ik dat ik naïef was geweest. Of op zijn minst veel geëmancipeerder dan de samenleving.
Van een starter op de arbeidsmarkt wordt een fulltime inzet met enorme flexibiliteit verwacht, zonder dat daar enige flexibiliteit ten opzichte van het ouderschap tegenover staat. Omdat ik mijn kinderen niet heb genomen om ze fulltime uit te besteden, ging ik op zoek naar een parttime baan. Parttime carrière maken, vóór je enige jaren werkzaam bent, is echter een unicum. Zo kwam ik aan de zijlijn te staan met een baan onder mijn niveau, terwijl de carrières van mijn oud-medestudenten zonder kinderen omhoog schoten.
Op jonge leeftijd vóór kinderen kiezen is zo een onbewuste of onbedoelde keuze tégen een hoop andere dingen. Wil ik werkelijk meedraaien op de arbeidsmarkt, dan moet ik fulltime werken, waardoor ik de kinderen nauwelijks nog zie. Als mijn partner en ik niet willen veranderen in een koppel uit de jaren vijftig, dan blijken kinderen, zeker voor je dertigste, een blok aan het been. Door de manier waarop overheid en bedrijfsleven, inclusief de traditionele vakbonden, over werk en kinderen spreken lijkt het of men denkt dat het hebben van kinderen te vergelijken is met het houden van parkieten. Geef ze een bakje voer en wat water dan zullen ze niet verhongeren en zeuren wanneer je moet overwerken. Als ik mijn kinderen van ´s ochtends vroeg tot laat in de avond naar de, al dan niet gratis opvang breng, dan kan ik net zo goed op zaterdag en zondag de kinderen van de buren lenen.
Velen met mij worstelen met de vraag hoe kinderen in te passen in de zogenaamd geëmancipeerde samenleving. Winkeltijden zijn aangepast aan hedendaagse werktijden, maar werktijden en plekken zijn niet aangepast aan de hedendaagse kinderwens. Zelfs met drie dagen gratis kinderopvang komen we er niet: een flexibele/parttime carrière wordt op die manier alleen nog maar meer taboe. De ouder met ambities mag dan helemaal niet meer ‘zeuren’ over kinderen en de behoefte ze vaker te zien dan in het weekend en tijdens de overdracht. Zelfs als kinderopvang helemaal gratis zou zijn, dan nog wil bijna niemand de kinderen fulltime naar die opvang brengen. Niet uit schuldgevoel maar uit de behoefte om van je kinderen te genieten. Zo begint bij vrijwel ieder geëmancipeerd koppel de discussie wie zijn carrièreperspectieven inlevert.
Bedoelt men dit met emancipatie: eerst carrière maken en dan als je nog tijd en vruchtbaarheid over hebt, kinderen nemen? Was dit het doel van de Dolle Minas: baas in oude lege buik? De emancipatie is blijven steken in de vrijheid om niet of laat aan kinderen te beginnen. Emancipeer die verouderde vorm van emancipatie! Emancipatie van generatie in plaats van geslacht, van een ouderwetse naar een flexibele moderne arbeidsmarkt met ruime keuzemogelijkheden. Dus ook om te kiezen vóór het ouderschap en een flexibele/parttime carrière, want natuurlijk kan dat!
===========================================================================================
'Bronzen' essay: De macht van angst Vroeger was ik een enorme rotetter en ik hoop niet dat mijn kinderen wat dat aangaat ook maar enigszins op mij of mijn man lijken. Wij hingen op straat, rookten jointjes in portiekjes en maakten troep en lawaai. Door Roos Wouters Ik deed aan graffiti en had de dag van mijn leven als we met z’n twintigen een tram gingen bomben. We bekladden dan de deuren, banken en ramen, terwijl de tram van de ene naar de andere halte reed. Doordat we met een grote groep waren, durfde niemand iets te zeggen. Als ze dat toch deden dan keken wij héél dreigend. Achteraf schaam ik mij rot voor dit intimiderende vandalisme, maar toen was het heerlijk en bevrijdend. Wij waren de jeugd van tegenwoordig en alleen al door ons aantal hadden we een angstaanjagende uitstraling. Dat op zich was al genoeg. Ik ben er tenminste nooit getuige van geweest dat het gewelddadig werd. Al gedroegen wij ons niet zo, toch bestond de groep voor een deel uit goed opgevoede, verlegen en weldenkende jongeren. Kinderen die zich probeerden te bevrijden uit die ondergeschikte kinderrol. Met zijn allen hadden wíj het voor het zeggen en we lieten ons niet meer commanderen of de les lezen! Ik had mijn etter-jeugd al bijna verdrongen toen ik de televisiebeelden van groepen relschoppende jongeren in de Parijse buitenwijken en in de Amsterdamse Diamantbuurt zag. Mijn eerste impuls was dat gedrag sterk te veroordelen en te roepen om harde straffen, maar gelukkig en helaas drong al gauw tot me door dat mijn pubergedrag helemaal niet zoveel verschilde van wat deze jongeren deden. Waarom is er nu zoveel meer aandacht voor jongeren; is er iets anders aan deze jeugd? Toen ik een ‘etter’ was gaven wij elkaar door, dat als je betrapt werd, je moest zeggen dat je ouders uit elkaar waren. Dat je ouders hippies waren (geweest) en dat je het thuis erg moeilijk had met al die nieuwe (stief) vaders en moeders, (half) broertjes en zusjes. Meestal werkte dat perfect; we deden een beroep op de afgunst of het schuldgevoel van ‘het gezag’, en al je zonden werden je vergeven. Je kon op zijn minst rekenen op begrip. Tegenwoordig is de mantra: ‘Ik ben Marokkaan, ik kan geen stage plek vinden, en word gediscrimineerd’. Nu zit daar waarschijnlijk net zo’n kern van waarheid in als in onze tekst, want veel van onze ouders waren ook echt gescheiden en we hadden vaak grote problemen hadden met het liefdesleven en drugsgebruik van onze ouders. Toch wisten óók wij heel goed dat de streken die we uithaalden niet goed te praten waren en ook daarin zie ik meer overeenkomsten dan verschillen tussen mijn generatie en die van nu. Misschien was ik nog wel erger. Als ik toen net zoveel aandacht had gekregen voor mijn rotstreken als de jongeren nu, dan had ik het wel geweten. Na het zien van de beelden van rel schoppende Franse jongeren, zou ik onmiddellijk een capuchon over mijn hoofd hebben getrokken om, samen met mijn ettervrienden, de ruiten van de auto’s in de buurt in te gooien. Wat een heerlijk saamhorigheidsgevoel! Wat een heldendaad! Wij tegen de rest van de wereld met een goed doel als excuus: een pot geld die straks wordt vrijgemaakt voor ontspoorde jongeren! ls ik Marokkaan was geweest dan zou ik nu absoluut een ‘kut Marokkaan’ zijn genoemd. Marokkaan ben ik echter niet en veel van mijn toenmalige etter vrienden zijn dat ook niet. Ik ben zelfs het toonbeeld van Hollands glorie; blank, blond met blauwe ogen en klaag dan ook nooit wanneer ik niet voor terrorist word aangezien, overal meteen door mag lopen of zelfs voorrang krijg. Maar maakt dat mijn rotstreken ook minder erg? In Nederland bleef het na de Franse rellen gelukkig relatief rustig, maar de angst dat het zou overwaaien was zeker aanwezig. Ook al bleven echte rellen uit, en bleek de jeugd braver dan ik verwachtte. Cameraploegen en politieke campagneploegen trokken massaal de ‘probleembuurten’ in om kijkcijfers, zielen én stemmen te winnen. Met succes; de angst groeide en de potten met geld werden opengetrokken voor probleemjongeren die ware tv sterren werden. (‘Kut-Marokkanen-on-Ice’ is misschien een leuk idee? Talpa?) Waarom krijgt de jeugd van tegenwoordig zoveel aandacht? Heeft de overheid er soms baat bij om de jeugd af te schilderen als potentiële mini-terroristen? Het ooit zo tolerante Nederland met vrijheden waar men trots op was, althans zo leek het, veranderde vooral na de moord op Theo van Gogh in snel tempo. Het werd een land waar Wij tegen over Zij kwamen te staan en men bang voor elkaar was geworden. Bange mensen zijn vaak volgzame mensen. Er volgde een scala aan zeer impopulaire maatregelen, die in de jaren daarvoor nog ondenkbaar zouden zijn geweest. De bestaande vrijheden werden aan banden gelegd en de overheid voerde rigoureuze beleidsveranderingen door. Van de angst voor elkaar werd dankbaar gebruik gemaakt en dat wat ons bang maakte werd elke dag weer onder een vergrootglas gehouden. Nu de meest impopulaire beslissingen genomen en doorgevoerd zijn, lijkt het of de angst voor allochtonen zijn werk heeft gedaan en is verruild voor de angst voor vergrijzing. Alle partijen hebben het over niets anders meer, alleen Geert Wilders heeft het ‘intergratie-probleem’ nog hoog op de agenda! Heeft men iets geleerd; is de rust terug gekeerd of beheerst nu de strijd om de allochtone kiezer het politieke debat? Ook de jongeren maken gebruik van angst als machtsmiddel. Zij lijken steeds beter te weten waar de gevoelige plekken in onze samenleving zitten en vallen datgene aan waar de vorige generatie zich hard voor gemaakt heeft: gelijke behandeling van vrouwen en homo’s en de vrijheid van meningsuiting. Met het grootste gemak spelen ze in op de angst dat de emancipatiestrijd voor niets is geweest. Staan de jongeren zo sterk aan de rand van de samenleving dat ze met meer afstand kunnen zien waar de zwakke plekken zitten? Of is de jeugd van tegenwoordig, vergeleken met de jeugd van toen, gewoon ervarener geworden in het puberen? Ook wij scholden op homo’s en maakten seksistische grappen. Die grappen waren vaak, direct of indirect, tegen mij als vrouw gericht, maar daar was ik helemaal niet mee bezig. We hadden moeite met onze eigen seksualiteit en ik geloof niet dat er iemand echt een oordeel over homo’s of vrouwen had, al wisten we wel zeker dat we met die onderwerpen tegen heilige huisjes schopten. Angst is iets machtigs! We zijn veel te bang. Bang voor jongeren, bang dat het terroristen in de dop zijn, bang dat ze de macht over zullen nemen. Net zoals mensen vroeger bang waren dat met de komst van Rock and Roll de normen en waarden, de zeden en zelfs de hele moraal naar de knoppen zou gaan. Misschien zouden we wat minder bang moeten zijn, ons minder laten meeslepen door het mediageweld, al dan niet geregisseerd door de politiek of door de media zelf. We zouden wat minder repressief moeten optreden en wat meer moeten investeren in jongeren. Niet omdat we bang voor ze zijn of omdat ze dreigen te ontsporen, maar omdat ze onze toekomst zijn, omdat ze ‘onze’ jongeren zijn. We moeten problemen die er zijn niet negeren, maar het geen nu gebeurt is het omgekeerde. Nu wordt slecht gedrag van gewone pubers beloond. En waarom; omdat deze rotetters legers terroristen zijn? Ach, kom nou! Zelfs bij mij, inmiddels de ideale schoondochter, roept die overvloed aan aandacht het idee op dat ik een weldoener voor algemeen nut zou zijn als ik mij nog één keer zou uitleven als vandaal. De terrorist/ rotetter krijgt zoveel aandacht dat ik het bijna jammer vind dat ik geen terrorist kon zijn toen ik een rotetter was. Roos Wouters is politicoloog
|